Het Brusselse labyrint

    Voor veel Europese burgers is het circuit van Brussel en Straatsburg een raadsel. De meeste inleidingsboeken over de instellingen van de Europese Unie stellen de lezers eerst gerust met de anekdote, dat de juridische diensten van de EU het ook niet met elkaar eens kunnen worden over de vraag hoeveel procedures er nu eigenlijk zijn.

    Zeven jaar na de Tweede Wereldoorlog werd de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal opgericht. De founding fathers, Jean Monnet en Robert Schuman, wilden met een gemeenschappelijk toezicht over de voor oorlogsvoering essentiële kolen­ en staa lproductie de aartsvijanden Duitsland en Frankrijk verzoenen. Het orgaan van toezicht, de Haute Autorité, had echter meer dan een puur administratieve functie. Monnet en Schuman zagen in haar de motor voor een toekomstige Europese federatie. De bur gers daarover raadplegen, werd in 1952 niet wenselijk gevonden. Men achtte de Duitsers en Fransen zeven jaar na de oorlog niet in staat het wantrouwen en de haat jegens elkaar te overwinnen.

    De Europese politiek is inmiddels een stuk ingewikkelder geworden. Omdat de Europese eenwording niet op alle beleidsterreinen even ver gevorderd is, gelden voor verschillende onderwerpen verschillende afspraken. Vaak wordt gesproken over drie Europese 'pijlers':
    Het Gemeenschappelijk Buitenlands­ en Veiligheidsbeleid (GBVB, de Tweede Pijler) en de Samenwerking Binnenland en Justitie (de Derde Pijler) zijn intergouvernementeel, het zijn afspraken tussen souvereine lidstaten. Ze behouden het vetorecht.
    De Eerste, communautaire (gemeenschappelijke) Pijler is het oudst en het meest geïntegreerd. Het is in hoofdzaak economisch: het beheer van de binnenmarkt. Als de Commissie op dit vlak een voorstel doet, wordt daarover in de Europese Raad met meerder heid besloten. Het Europees Parlement heeft medezeggenschap, maar niet het recht om op eigen initiatief wetten af te dwingen.

    Inmiddels is er niet meer één Haute Autorité, maar zijn er dus drie instellingen: de Raad, de Commissie en het Parlement. Omdat de Eerste Pijler nog het meest uitgewerkt is houden ze zich daar het meest mee bezig. Voor wat betreft de Tweede en Derde Pijler: de rol van de Commissie is op dit terrein beperkt en het Parlement heeft niet eens het recht op controle.

    De Raad
    Het hoogste orgaan is de Europese Raad van Staats­ en Regeringsleiders en de Ministers van Buitenlandse Zaken. Deze Raad komt gemiddeld twee keer per jaar bijeen. Op deze Eurotop worden de grote lijnen van het beleid uitgezet, en wordt er over nieuwe verdragen onderhandeld. Verdragswijzigingen vereisen unanimiteit.
    De Raad is ook een wetgevend orgaan. De minister, lid van de uitvoerende macht in eigen land, stapt in het vliegtuig en komt als lid van de wetgevende macht aan in Brussel. Deze bestuurlijke hermafrodieten vergaderen achter gesloten deuren.
    De besluitvorming wordt voorbereid door de COREPER (Comité des Représentants Permanents), een college van ambtenaren van de lidstaten. Als zij het onder elkaar eens zijn, komt het voorstel als A­punt op de Raadsagenda. Dat wil zeggen, da t de Raad er niet meer over discussieert maar meteen stemt.
    Voor iedere stemming gelden verschillende regels. De Raad besluit unaniem over: Verdragswijzigingen, toelating van nieuwe lidstaten, fiscaal beleid, sociaal­ en milieubeleid, en over de werkwijze van het Europees Parlement. Met een eenvoudige meerderh eid (8 van de 15 lidstaten) beslist de Raad over haar werkopdrachten aan de Europese Commissie. Tot slot besluit ze met gekwalificeerde meerderheid (62 van de 87 stemmen) over de voltooiing van de binnenmarkt, veiligheid en gezondheid van werknemers en ov er de steunfondsen.

    De Commissie
    Dit is de enige echte supranationale instelling. Het is in zekere zin de opvolger van Monnet en Schuman's Haute Autorité. Zij heeft wetgevende én uitvoerende bevoegdheden. Iedere lidstaat heeft een commissaris, de grote hebben er twee. De co mmissarissen worden door de lidstaten benoemd. De Commissie voert bijvoorbeeld de onderhandelingen met aspirant­lidstaten en vertegenwoordigt de Unie bij onderhandelingen met derden (GATT).
    Maar verreweg het belangrijkste kenmerk van de Commissie is haar onafhankelijkheid. Zij is aan niemand verantwoording verschuldigd. Zij stelt nieuwe wetgeving voor, waakt over de uitvoering van wetgeving, beheert beleid (vooral landbouw) en waakt erover d at de lidstaten zich aan afspraken houden. Jaarlijks stuurt ze bijvoorbeeld brieven aan de lidstaten over hun monetaire beleid. Deze ongekozen Commissie is de eigenlijke motor van de eenwording.

    Het Parlement
    Het Europees Parlement is sinds 1979 de direct gekozen volksvertegenwoordiging van de Europese burgers. Maar zijn bevoegdheden zijn beperkt. Dit Parlement vergadert eens in de maand plenair in Straatsburg. De commissie­ en fractievergaderingen vinden in Brussel plaats. De administratie zetelt in Luxemburg.
    De 626 leden van het Europees Parlement zijn in fracties georganiseerd. De grootste fracties zijn de Socialistische Fractie met meer dan 200 leden, de Christendemocraten met rond de 180, de conservatieve Union pour Europe met 56 en de Liberalen met rond d e 50 leden.
    Het parlement kan geen wets­initiatieven nemen. Het mag wel iets voorstellen, maar de Raad moet ermee akkoord gaan, wil de Commissie opdracht krijgen er een wet van te maken. Wat mag het Parlement dan eigenlijk wel?
    De toestemming van het Europees Parlement is vereist bij: Verdragswijzigingen, internationale verdragen, toetreding van nieuwe lidstaten en sommige uitgaven. Het is mede­wetgever als het gaat om milieu, onderwijs en vrijheid van vestiging van werkneme rs. Daarnaast mag het raadsvoorstellen amenderen bij: vervoer, gezondheidszorg en het beroepsonderwijs. Tot slot moet het Parlement geraadpleegd worden over concurrentiebeleid, landbouw en energie. De Commissie kan amendementen echter afwijzen.
    Omdat haar bevoegdheden zo beperkt zijn moet het Europees Parlementvoortdurend voor haar rechten vechten. Maar de strijdlust is beperkt. Slechts éénmaal heeft de Europese volksvertegenwoordiging een wetsvoorstel van de Commissie en de Raad a fgekeurd. In 1995 sneuvelde de richtlijn over de patentering van biotechnologische uitvindingen in het Europees Parlement.

    Sinds de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal zijn de bevoegdheden van Brussel stukje bij beetje uitgebreid. Maar de methode is gebleven: 'verlicht despotisme'. Voor de Europese burger is nog steeds geen actieve rol weggelegd.

    Barbara Hoheneder, Werkgroep voor een Democratisch Europa



    Last updated: